Spuitzone blijft ingewikkeld

 

 

In een locatiespecifiek spuitzone onderzoek worden veel facetten op hun effect voor drift beoordeeld en dat maakt dat spuitzone onderzoek telkens maatwerk is. De complexiteit van processen die drift veroorzaken en de juiste interpretatie van wetenschappelijke inzichten aangaande effecten voor de gezondheid leiden soms tot discussies. Om die reden wordt altijd een worstcase benadering gevolgd, waardoor een ruime veiligheidsmarge ontstaat. Een dergelijke invulling van het voorzorgsprincipe blijft voorlopig nodig, omdat wetenschappelijk nog niet alles is onderzocht en volop aan drift- en blootstellingsmodellen wordt gewerkt. 

 

Niettemin is er veel kennis over drift aanwezig en in meer dan 150 wetenschappelijke publicaties vastgelegd. Met die kennis is het mogelijk om zorgvuldig en goed onderbouwd tot ruimtelijke beslissingen te komen over het verkleinen van spuitzones, waarbij recht wordt gedaan aan belangen van alle betrokken partijen. 


Schematische weergave spuitwaaier

Richtafstand spuitzone

In het verleden is uit onderzoek afgeleid dat, bij zijwaarts of opwaarts gericht spuiten, kleine kinderen op 50 meter afstand geen gezondheidsgevaar lopen. Die 50 meter is via jurisprudentie voor bestemmingsplannen de richtafstand voor een spuitzone geworden. Een kleinere spuitzone is mogelijk als locatiespecifiek onderzoek uitwijst dat er geen negatieve effecten zijn voor de gezondheid van de mens. Tevens mag de bedrijfsvoering van de agrariër niet door een verkleining van de spuitzone worden belemmerd. 

 

Er is in Nederland en internationaal al veel wetenschappelijk onderzoek gedaan naar drift en de gezondheidsrisico’s daarvan. Momenteel loopt een meerjarig onderzoek in de bollenteelt. Aangezien onderzoek kostbaar is en veel tijd vergt, zijn er computermodellen waarmee drift gesimuleerd wordt en de blootstelling eraan doorgerekend.

 

Driftmodellen zijn gebaseerd op natuurkundige principes over verspreiding en depositie van deeltjes door de lucht en/of wiskundige relaties die uit meetdata verkregen zijn. Het driftmodel Bream is, nadat het voor gebruik is vrijgegeven, ook bruikbaar in Nederland.

 

Totdat driftmodellen aanvaard zijn, wordt gewerkt met driftcurves om de afstand van spuitzones te bepalen. Driftcurves zijn verkregen uit een groot aantal veldmetingen gedurende meerdere jaren en worden gebruikt voor toelating van gewasbeschermingsmiddelen en binnen de ruimtelijke ordening voor spuitzones. 

Verkleinen spuitzone

Bij het ontwikkelen van plannen voor nieuwe woningen, recreatiegebied of bedrijventerreinen die grenzen aan fruitboomgaarden of bloembollenvelden, mag rekening gehouden worden met driftmaatregelen die voor telers en kwekers verplicht zijn. De algemeen geldende juridische eisen vormen het uitgangspunt voor locatiespecifieke spuitzone onderzoek dat nodig is als de wens bestaat de spuitzone te verkleinen. 

 

In een locatiespecifiek onderzoek worden relevante kenmerken van de boomgaard, kwekerij of akker en directe omgeving geïnventariseerd. Verder wordt gekeken met welke gewasbeschermingsmiddelen gewerkt wordt, met welke frequentie gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt en hoe de bespuiting met gewasbeschermingsmiddelen gebeurt. De hoogte van de hoogste spuitdop of spuitboom is voor drift van belang, maar ook hoe hard de spuit over het land rijdt of door de boomgaard gaat.

 

Niet de feitelijke situatie en werkwijze is doorslaggevend, maar de voor de drift maatgevende bedrijfssituatie die reëel en planologisch mogelijk is. De in het onderzoek verzamelde informatie wordt vergeleken met de condities waaronder wetenschappelijke meetdata zijn verkregen en die ten grondslag liggen aan driftcurves. Afwijkingen in praktijkomstandigheden kunnen tot meer of minder drift leiden en daarom zijn correcties nodig om tot de juiste breedte of afstand van de spuitzone te komen. 

 

Mits in planregels vastgelegd, tellen maatregelen die in het plangebied zijn voorzien om drift te verminderen mee voor het locatiespecifieke driftonderzoek. Doorgaans gaat het om voorzieningen die drift geheel of gedeeltelijk uit de lucht filteren, zoals windhagen, houtwallen of niet natuurlijke constructies zoals schanskorven. 

Drift; verwaaien gewasbeschermingsmiddelen

Met drift wordt meestal het verwaaien van gewasbeschermingsmiddelen tot buiten het agrarisch perceel bedoeld. Het gaat daarbij om (fijne) druppels spuitvloeistof die zich via de lucht kunnen verspreiden. Drift vormt een risico voor mens en milieu, omdat in de druppels toxische (giftige) chemische  stoffen aanwezig zijn. 

 

Voorbeeld van gebruikte middelen in de fruitteelt

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Voorbeeld van gebruikte middelen in de fruitteelt

 

De toxische bestanddelen in gewasbeschermingsmiddelen (of gewasbestrijdingsmiddelen, pesticiden, agro chemicaliën of landbouwgif), worden actieve  of werkzame stof genoemd. Ze kunnen via de huid, inademen of inslikken in het lichaam worden opgenomen en negatieve gezondheidseffecten veroorzaken. Daarom worden normen gehanteerd die onacceptabele blootstelling moeten voorkomen.

 

Chemische structuur  van de werkzame stof Captan

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Chemische structuur van de werkzame stof Captan

 

Er zijn diverse factoren van invloed op de hoeveelheid drift die bij bespuiting van gewassen ontstaat. Factoren die niet te beïnvloeden zijn hangen samen met het weer en omvatten windrichting, windsnelheid, temperatuur en luchtvochtigheid. Beïnvloedbare factoren zijn onder andere type spuitdop, spuitdruk en rijsnelheid van de spuit/trekker. 

 

Maatregelen om drift te reduceren grijpen aan op de factoren die het meest op drift van invloed zijn, waaronder:

 

•    Driftarme spuitdoppen
•    Gewasvrije zone of bufferzone
•    Windhagen of andere vanggewassen
•    Good management
•    Toevoegingen/driftbeperkende verdikkingsvloeistoffen

 

Kleurschema druppelgrootte spuitdoppen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Kleurschema druppelgrootte spuitdoppen

 

Maatregelen zijn nodig om:

 

•    Kostbare gewasbeschermingsmiddelen efficiënt en effectief in te zetten
•    Schade voor gewas en dier buiten het perceel te voorkomen
•    Te voldoen aan wet- en regelgeving, die vooral gericht is op de kwaliteit van het oppervlaktewater
•    De risico’s voor de gezondheid van de mens te beperken. 

 

De druppelgrootte levert de grootste beïnvloedbare bijdrage aan de drift. Hoe fijner (kleiner) de druppel, hoe groter de drift. Fijne druppels verspreiden bovendien gemakkelijker met de wind en komen verder dan de grove (grote) druppels. Daar staat tegenover dat fijne druppels minder volume hebben en daardoor minder werkzame stof transporteren dan grove druppels. 

 

Relatie tussen druppelgrootte en spuitdruk

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Relatie tussen druppelgrootte en spuitdruk

 

Driftreducerende technieken richten zich daarom voornamelijk op spuitdoppen. Via de vormgeving van de dopopening kan, in combinatie met druk en luchttoevoer, een spuitnevel met een hoog percentage grove druppels worden gemaakt. Dit maakt dat er minder drift optreedt in vergelijking met de standaard- of referentiespuit, waardoor er sprake is van driftreductie. 

 

Tegenwoordig zijn er voldoende technieken beschikbaar om zowel drift te beperken als het gewenste resultaat wat betreft gewasbescherming te bereiken. Dat is een van de redenen waarom via het Activiteitenbesluit milieubeheer de algemene verplichting gaat gelden gewasbeschermingsmiddelen in de open lucht met minimaal 75% driftreductie toe te passen. Langs sloten en ander oppervlaktewater geldt aanvullend een teeltvrije zone, waarvan de breedte afhankelijk is van het gewas dat wordt verbouwd. 

Drift afvangen

Filterende afschermende voorzieningen zoals windhagen zorgen voor een afname van de windsnelheid en worden daarom ook aangeduid als windbrekers. Een reductie van de windsnelheid laat druppels gemakkelijker neerkomen op bladeren, takken en stammen in de windhaag. 

 

De hoeveelheid blad heeft het meeste effect op de vermindering van drift. Dat is de reden windhagen bij voorkeur niet in het spuitseizoen te snoeien. Kleine bladeren of naalden vangen meer druppels af dan grote bladeren van loofbomen. Daarom heeft een ligusterhaag een groter effect op drift dan een even brede beukenhaag.

 

Bij volledig dichte, dus niet filtrerende barrières, bestaat de kans dat drift over de afscherming heen gaat en daarachter mogelijk zelfs juist neerslaat. Een zekere aerodynamische openheid (porositeit) in de windhagen en/of constructies is daarom noodzakelijk om een driftreducerende werking te bewerkstelligen.

 

De hoeveelheid drift die wordt afgevangen hangt dus af van diverse zaken, waarbij de hoogte, plant- of materiaalsoort en de dichtheid van de afscherming de belangrijkste zijn. Wat betreft de positie van de afscherming is het nodig dat de voorziening de drift uit alle relevante windrichtingen kan filteren. De afscherming dient dus steeds (binnen een afstand van 50 meter) tussen bron- en ontvangstgebied aanwezig te zijn. 

Do’s en don’ts spuitzone

Ter informatie enkele do’s en don'ts opgenomen die wij u willen meegeven.

Spuitzone do’s

•    Leg de benodigde maatregelen ter bescherming tegen blootstelling aan drift helder en zo nodig flexibel vast in de planregels.
•    Ga in de beoordeling uit van de planologisch maximaal mogelijke invulling. Let daarbij op watergangen die niet in het bestemmingsplan zijn vastgelegd of waarvoor in de praktijk andere afspraken zijn gemaakt dan in eerste instantie voor de hand ligt vanuit de geldende wet- en regelgeving.
•    Locatiespecifieke omgevingskenmerken kunnen ook te maken hebben met verschillen in maaiveldhoogte of de aanwezigheid van beschermd gebied of leidingstroken die bepaald agrarisch gebruik uitsluiten. 

Spuitzone don'ts

•    Alleen maar kijken naar de overheersende windrichting en daar de ruimtelijke onderbouwing op baseren
•    Uitsluitend gebruik maken van afstandstabellen uit wetenschappelijk onderzoek zonder te letten op afwijkingen in meetcondities en/of meetomstandigheden
•    Enkel uitgaan van de feitelijke situatie zoals die wordt aangetroffen en enkel daarop voortborduren.
•    Groenblijvende windhagen als maatregel opnemen, terwijl die niet in het landschap passen of er voor zorgen dat er meer met gewasbeschermingsmiddelen gespoten moet worden. Bijvoorbeeld doordat de gekozen haagsoort een broedplaatsen voor insecten vormt of het ontstaan van schimmels bevordert.

 

Wilt u meer weten over locatiespecifiek spuitzone onderzoek in relatie tot ruimtelijke vraagstukken, zienswijzen of beroep?